Historie schutterijen in Meerssen

Meerssen kent een rijke historie die van groter geschiedkundige betekenis is dan menigeen denkt. Zo werd het karolingische rijk door de drie zoons van Karel verdeeld in Meersen waarvan het verdrag van Meerssen getuige is. Een andere belangrijke gebeurtenis is het verblijf van Koningin Gerberga. Na de dood van haar man schonk deze koningin in 968 na Chr. de monniken van Reims het landgoed Meerssen. Deze monniken moesten in ruil voor de schenking bidden voor haar overleden man in de kapel. Door de komst van de monniken is een Proosdij gesticht om de schenking van Gerberga te beheren.

De monniken vroegen bescherming voor hun landerijen, die vrij omvangrijk waren (climmen, beeck, mersen etc wordt in geschriften gevonden), aan de landvoogd en zo komt het dat de landerijen werden beschermd door de heren van Valkenborgh. Dit moest zo geregeld worden omdat kerk en staat gescheiden waren en de geestelijken dus geen leger mochten vormen. Echter deze heren eigenden zich steeds meer eigendommen (landerijen) van de proosdij toe.

Het oudste geschrift en aldus bewijs van bestaan van de schutterij(en) stamt uit 1648. Inmiddels hebben de benedictijnen de Proosdij geruild met Augustijnen tegen het landgoed Eaucourt. Dit omdat beiden dan hun landgoederen dichter bij "huis" konden beheren. Het archief van de Augustijnen begint in 1648 met een brief van een schutterij (deze bestond dus al hiervoor!). Hierin schrijven Mathias Janssen (capitan), Andries Coninx (Luitenant) en Melchior Banners aan de proost dat vanwege de ellendige tijd er niet op de vogel is geschoten maar dat de beide schutterijen (de oude en de jonge) wel in de processie zullen optrekken. De ellendige tijd refereert aan de tachtigjarige oorlog die dan net tot zijn einde komt.

Er zijn op dat moment twee schutterijen namelijk de oude, bestaande uit gehuwde mannen, en de jonge, bestaande uit ongehuwde mannen. Van beide schutterijen was de proost de hoogste officier. Dit blijkt althans uit een ledenlijst van 1776 waar proost P. Crepin kolonel en overste-hoofd wordt genoemd. Een monnik Lebouille is luitenant kolonel en Pastoor Somya is kapitein-majoor.

Het koningszilver is ook een stukje historie. De oudste vogel draagt helaas geen jaartal maar wel de naam van de schenker: Jan Nelissen van Maaseyk. Aangenomen wordt dat deze vogel ouder is dan de oudste koningsplaat uit 1669. Deze vermeld koning Francois Hatté, monnik.

In 1813 verdwijnt plotseling het schutterswezen uit Meerssen. Het is niet beschreven waarom maar volgens Dhr. Geysen had dit te maken met het franse stempel dat tot die tijd op Meerssen lag. De Proosdij was immers gesticht door de franse Monniken. Teksten die betrekking hadden op de schutterij waren in het frans opgesteld. Ook de proosten waren veelal franstalig. In 1794 was een laatste koningsvogelschieten met de proost en zijn monniken waarna zij vluchtten voor de franse revolutionairen. Maar reeds in 1801 werd er weer voor de titel geschoten, zonder de monniken. De Meerssense schutterij ontpopte zich tot een fransgezinde club. Feesten van Napoleon kregen traditioneel eerbetoon van de schutterij. De nieuwe statuten van 1811 schrijven dergelijke napoleontische gedenkdagen dwingend voor. In 1812 wordt Hennequin nog "Roy" (=koning in het frans) maar kort daarna wordt Napoleon verslagen in Rusland en is zijn einde nabij. De blijdschap over het vertrek van de fransen uit zich in een totale desintresse voor de schutterij.

Eigen onderzoek:

In het archief van de gemeente Meerssen komen we diverse briefwisselingen tegen van notaris Dumoulin en Quadvlieg, erfgenamen van Dhr Ploum, het bestuur van schutterij St. Remigius en Pastoor Deken Dirix. Hierin valt de volgende situatie te destileren:
Jan Wouter Ploum heeft 20 Augustus 1862 aan notaris Wilmar, residerende te Meerssen, in bruikleen gegeven een aantal zilveren vogels en een aantal zilveren schuttersplaten komende van de voormalige schutterijen van Meerssen. De heer Ploum heeft hier kennelijk een bewijs van inbewaarneming ontvangen welke na zijn dood niet meer werd gevonden. Het ging hierbij om 3 zilveren vogels, 47 zilveren platen, een vergulde plaat en twee zilveren kettingen.
Uit het schrijven blijkt duidelijk dat deze voorwerpen afkomstig zijn van Schutterij St. Andries.

Voor de eerste St. Remigius (1889) is er dus een Schutterij St. Andries geweest. Of deze tussen 1813 en 1862 is opgericht is niet uit de tekst te halen maar lijkt wel waarschijnlijk.

Gezien het feit dat het zilver al die tijd bij Notaris Wilmar heeft gelegen kunnen we aannemen dat er gedurende die periode geen schutterij heeft bestaan in Meerssen, daar er geen aanspraak op werd gemaakt.
Notaris Wilmar raakt "in staat van kennelijk onvermogen" oftewel hij ging falliet. De notarissen Dumoulin en Quadvlieg uit Maastricht zijn de quratoren van zijn boedel. De in 1889 opgerichte schutterij St. Remigius probeert in 1894 het zilver uit die boedel te bemachtigen echter ze heeft voornoemd bewijs van inbewaarneming niet (de erfgenamen van Dhr Ploum dus overigens ook niet).

Er is in Meerssen een notaris Kleuters, tevens bestuurdslid van St. Remigius, die het lukt aanspraak te maken op de zilveren voorwerpen. Op 17 Juni 1890 verklaren de erfgenamen van Dhr Ploum, de notarissen Dumoulin en Quadvlieg en notaris Kleuters in een door hen allen ondertekende brief dat Dhr Kleuters namens de schutterij de voorwerpen in ontvangst heeft genomen en dat de erfgenamen alsook de curatoren ontlasting hiervoor werd gegeven.

In 1894 verklaart het bestuur van St Remigius dat het de voorwerpen heeft ontvangen van de notaris Quadvlieg, gewezen curator van de in kennelijk onvermogen verklaarden notaris Wilmar. Voorts verbind het bestuur zich de voorwerpen terug te zullen geven aan notaris Quadvlieg "zoodra eene andere verneniging, of wie ook, recht mocht hebben om die voorwerpen terug te eischen". Dit met vergoeding van kosten, schade en interesten. Eigenlijk een juridische afdekking dus.

Schutterij St Remigius is 10 Oktober 1889 bij koninklijk besluit als rechtspersoon erkend (door Koning Willem III). We weten dat Remigius patroonheilige van Meerssen is dus waarschijnlijk is het daarom dat hiervoor is gekozen. De schutterij heeft waarschijnlijk niet lang bestaan want uit een schrijven van pastoor deken Dirix in maart 1910 kunnen we afleiden dat deze de koningsplaten en de vogels heeft ontvangen van de toenmalige burgemeester Dohmen. We nemen aan dat de schutterij reeds hiervoor in ruste is gegaan daar de burgervader de platen en de vogels reeds in zijn bezit. De burgervader vond eigenlijk dat dit eigendom was van het herkelijk gezag daar deze voorwerpen voornamelijk ook hiervan afkomstig waren.

U ziet een rijke geschiedschrijving maar ook redelijk wat onduidelijkheden dus onze speurtocht naar het schuttersverleden van Meerssen gaat door.

free joomla template